Skip to main content

Vergif en tegengif

Geen geschiedkundige die zijn naam waard is schrijft grote maatschappelijke veranderingen toe aan één enkele factor. Dat is ideologie, geen geschiedenis. Niettemin bestaat er een ideologie die in grote mate het culturele en morele verval van het westen over de afgelopen decennia heeft ingezet. Het is een ideologie waarvan de herkomst, geschiedenis en doelstellingen slechts bekend zijn bij een handvol academici, en het is een ideologie die het liefst niet genoemd wil worden. Sterker nog, het is een ideologie die geweigerd heeft zichzelf een naam te geven. Deze ideologie staat tegenwoordig het meest bekend onder de term “multiculturalisme,”of ook wel dat wat “politiek correct” is, maar het is in feite cultureel marxisme – marxisme dat vertaald is vanuit het originele economische concept naar een marxisme in culturele termen, een poging die niet terug gaat tot de jaren 1960, maar tot 1919.

De marxistische theorie had voorspeld dat zodra er een nieuwe grote Europese oorlog uit zou breken, het proletariaat over heel Europa heen als één man zou opstaan om het burgelijke liberalisme omver te werpen en communisme in te voeren. Maar wanneer deze oorlog daadwerkelijk uitbrak in 1914, gebeurde er niets van dit alles. In 1919 verklaarden twee marxistische theoretici, onafhankelijk van elkaar – Antonio Gramsci in Italië en Georg Lukàcs in Hongarije – waarom dit het geval was gebleken. Zij stelden dat de westerse cultuur en de christelijke religie het proletariaat zo verblind had voor hun eigen klasse belangen dat communisme onmogelijk zou zijn tot het moment dat beide vernietigd zouden zijn. Gramsci pleitte voor een “lange mars door de instituties,” terwijl Lukàcs, als commissaris voor cultuur in het kortstondige Bolsjewistische Hongarije onder Béla Kun zich de vraag stelde, “Wie gaat ons redden van de Westerse beschaving?” en zodoende “cultureel terrorisme” ging voeren, met onder andere het introduceren van sexuele educatie in Hongaarse scholen. Hij wist dat wanneer een volk zijn sexuele moraal vernietigd zou zijn, hij een grote stap zou hebben gezet naar het ontmantelen van de cultuur in zijn algemeen.

Mussolini stopte Gramsci wijselijk in de cel en liet hem daar verrotten. Maar Lukàcs kon zijn invloed verder doen gelden via een denktank die opgericht werd aan de Universiteit van Frankfurt in 1923. Oorspronkelijk zou deze denktank het Instituut voor Marxisme gaan heten, maar de oprichters besloten dat zij meer invloed konden vergaren als ze het een meer neutraal klinkende naam zouden geven, het Instituut voor Sociaal Onderzoek. Dit zette het Instituut, dat al gauw bekend zou staan als de Frankfurter Schule, op weg om de werkelijke aard en intenties te verbergen, een strategie die hun volgelingen tot op de dag van vandaag nog steeds aanhouden.

Eerst richtte het Instituut zich op meer orthodoxe marxistische onderwerpen, zoals de arbeidersbeweging. Maar in 1930 werd er een nieuwe directeur aangesteld, de nog jonge denker Max Horkheimer, en de focus werd als snel anders gelegd. Horkheimer was het oneens met Marx dat cultuur slechts “superstructuur” was, dat bepaald werd door wie bezit had van de productiemiddelen. Hij stelde juist dat cultuur een onafhankelijke een zeer belangrijke variabele was. Daarnaast zou de arbeidersklasse niet de instigator van de revolutie kunnen zijn, omdat het langzaam maar zeker onderdeel aan het worden was van de middenklasse. Horkheimer begon het immense intellectuele werk om het authentieke marxiste van economische termen te vertalen naar culturele termen, een werk dat al snel werd veroordeeld door Moskou.

Om hem bij te staan in dit grote werk bracht hij meerdere intellectuelen bijeen die op dezelfde golflengte als hij zaten. De meest belangrijke hiervan was Theodor Adorno. Maar ook twee andere rekruten, Wilhelm Reich en Erich Fromm, hielpen het Instituut door Marx met Freud te kruisen en te verklaren dat men in de Westerse cultuur onder een constante vorm van repressie leefde, waarvan zij “bevrijd” moesten worden. De resultaten hiervan werden duidelijk in de jaren 1960.

Toen Hitler aan de macht kwam in Duitsland in 1933, vluchtte het Instituut naar New York, waar het opnieuw gesticht werd. Daar begon met een aantal “Studies naar Vooroordelen,” met als conclusie dat elk aspect van bourgeois leven was gebaseerd op één of meerdere “vooroordelen” die continu bekritiseerd moesten worden (“critical theory”). Deze studies verzorgden de intellectuele basis voor verschillende studierichtingen die nu alomtegenwoordig zijn op voormalig serieuze universiteiten. Het meest invloedrijk van de geproduceerde studies was Adorno’s boek ‘De Autoritaire Persoonlijkheid.’ Het onderzoek waar dit boek op gebaseerd is bleek onzin te zijn, maar de conclusie dat alle traditionele denkwijzen of gedragspatronen “fascistisch” waren is tegenwoordig dogma in de meeste intellectuele kringen. Adorno’s werk heeft een enorme invloed gekregen over de educatieve basis van het westen, waar leren nu vervangen is door psychologische conditionering. De Frankfurter Schule stelde expliciet dat het niet uitmaakt of kinderen op school vaardigheden of feiten leren. Het enige dat uitmaakt is dat ze hun schoolperiode verlaten met een bepaalde “houding.”

Kort voordat het Instituut Duitsland zou verlaten (het zou er na de oorlog weer terugkeren), pikte het een nieuw veelbelovend lid op, een jonge student genaamd Herbert Marcuse. Tijdens de jaren ’50 en ’60 verbleef Marcuse in de VS, en vertaalde de lastige werken van Horkheimer en Adorno naar het Engels in voor studenten makkelijk leesbare en begrijpelijke termen. Zijn boek ‘Eros and Civilization,’ dat een soort Bijbel voor Nieuw Links zou worden in de jaren ’60, stelde dat men door het vervangen van repressieve moraal met een “non-procreatieve eros” en het afserveren van het “realiteitsprincipe” voor het “genotsprincipe” een nieuwe gemeenschap gecreëerd kon worden waar plezier centraal stond in plaats van arbeid. Horkheimer zelf liet de vraag open wie of wat de revolutie zou beginnen, nu de arbeidersklasse dat niet zou doen. Marcuse vulde dit gat op door te zeggen dat de revolutie zou komen van een coalitie van jonge mensen, negers, feministen, homo’s, etc. de zogenaamde “slachtoffergroepen” van het (huidige) politiek correcte denken. In een beroemd essay dat hij schreef in de jaren ’60 beargumenteerde Marcuse dat er een “bevrijdende tolerantie” moest komen, hetgeen hij definieerde als een tolerantie voor alle ideeën en bewegingen van links en intolerantie voor alle ideeën en bewegingen van rechts. Wanneer links vandaag de dag schreeuwt om “tolerantie,” dan is het van deze soort.

Marcuse was succesvol in het propageren van het Frankfurter Schule cultureel marxisme aan de generatie Babyboomers, en het is de ideologie die deze generatie het meest karakteriseert. Het is eenvoudigweg niet mogelijk om deze ideologie publiekelijk af te wijzen en tegelijkertijd een onderdeel te zijn van de westerse elite. De hegemonie van cultureel marxisme op het onderwijssysteem, tot aan de universiteiten toe, zorgt ervoor dat ook de volgende generaties deze ideologie wordt ingeprent. Aangezien het niet steunt op logische redeneringen, maar op psychologische conditionering, is het moeilijk te bevechten. Iedereen die het afwijst is geconditioneerd om in de spiegel te kijken en dan “een nieuwe Hitler” in zichzelf te zien.

Voor cultureel en normatief conservatieven is de vraag niet slechts hoe cultureel marxisme bestreden moet worden, maar evenzeer hoe we de schade die het gedaan heeft kunnen wegwerken, en vervolgens hoe we onze traditionele cultuur in ere kunnen herstellen. Het antwoord hierop zal echter niet worden gevonden in weer een nieuwe ideologie, maar in het hervinden van onszelf.

 

Dit is een vertaling en bewerking van een artikel op Chronicles Magazine.